ego echo

Eend

En toch hè, als ik dan zo'n eend zie zwemmen, nietsvermoedend een beetje dobberen, af en toe die kont omhoog en met de andere helft onder water, dan gaan mijn gedachten eigenlijk altijd weer terug naar lang geleden. Toen ik nog bij mijn ouders woonde in ons hoekhuis aan een sloot dat op haar beurt de rand van het park, of beter: parkje, markeerde.

Het is zomer. Ik zit in de tuin aan de waterkant. Op het platje dat nog wel eens wat water schepte. Of misschien verzakte het gewoon snel. Het is niet voor niets het diepste punt van Nederland. Althans, dat is een beetje afhankelijk aan wie je het vraagt. Er zijn twee plekken in dit deel van het drooggelegde land die de titel diepste punt opeisen. Hoe laag kun je gaan, om maar een lelijk Anglicisme te gebruiken. Maar oké, dit geheel terzijde.

Geloof me, dit zijn al erg veel woorden voor het non-avontuur dat ik hier wil delen. Het is geeneens een avontuur. Het is vooral een herinnering met heel veel - en dan nog meer - schaamte.

Ik zit daar op dat platje aan het einde van de tuin, waar mijn vader, en soms mijn broer, graag middagen lang viste. Er zat niemand trouwens; ik was alleen en ik verveelde mij. Echt gewoon teveel dingen die ik heus kon bedenken om te doen, maar er geen puf voor had, geen zin. Te warm ook. Pure verveling. En toen kwam er een mooie, hagelwitte eend langs. Precies langs de andere kant van de sloot. Je weet wel, ze doen dat heel nonchalant en toch op hun hoede. En terecht, want wij mensen zijn niet te vertrouwen. En ik ben ook een mens. Ik pak een kiezelsteentje. Ik gooi het. Zo pats! tegen het hoofd van de eend. Het venijnige, doffe geluid hoor ik nog steeds. De herinnering is zo levendig als wat, ik weet alles nog. En ook hoe ongelooflijk naar ik mij direct voelde. Ik schrok, keek direct om mij heen of niemand mij had gezien. Alsof het nodig was om betrapt te worden. Dat had ik zelf al gedaan. Ik kon wel door de grond zakken, schaamde mij kapot. Nog steeds. De eend zwom snel door, een beetje in de war - maar dat zal vast projectie zijn. Er leek niets aan de hand. Gelukkig.

En toch, steeds wanneer ik eenden zo doodgemoedereerd zie dobberen, met af en toe zo even het hoofd scheef, mij lijken te peilen alsof ze het allemaal weten, verwacht ik dat er ooit eentje een steentje tegen mijn domme kop ketst. En dan snateren van het lachen. Terecht.